Ondersteuningsplan 2018-2022

Ondersteuningsplan 2018-2022

De aftrap
Het was de dag van de storm. Met de daarbij horende vrees dat de opkomst wel eens sterk zou kunnen teruglopen. Vanaf vijf uur ’s middags hadden we iedereen in Almere die iets had uit te staan met (passend) onderwijs uitgenodigd om met ons de aftrap te doen van het proces dat moet leiden tot het vaststellen van een nieuw Ondersteuningsplan 2018-2022. Daarin legt het Samenwerkingsverband Passend Onderwijs in Almere zijn uitgangspunten en ambities voor de komende vier jaar vast. Zo’n Ondersteuningsplan is wettelijk voorgeschreven. In 2014, toen de Wet op het Passend Onderwijs van kracht werd, is het eerste plan vastgesteld, en dat moet om de vier jaar geüpdatet worden. Daarvoor hadden we leerkrachten, ouders, directies, bestuurders en medewerkers op 18 januari uitgenodigd op de Aventurijn met elkaar in gesprek te gaan.

Gezamenlijke missie
Gelukkig gooide de storm geen roet in het eten. Tegen de tijd dat we zo’n tachtig mensen konden verwelkomen was hij al lang en breed gaan liggen. Ik had me er wel een beetje zenuwachtig om gemaakt, want voor mij is deze hele exercitie nieuw. Ik ben nu ruim een half jaar aan de slag als directeur-bestuurder Passend Onderwijs Almere en het voelde een soort vuurdoop om mijn achterban mee te nemen in de ontwikkelingen van de afgelopen vier jaar en de uitgangspunten voor te leggen voor de komende vier jaar. Maar het viel reuze mee. Misschien kwam dat ook wel omdat de boodschap niet schokkend was. We werken in Almere met een gezamenlijke onderwijsmissie dat alle kinderen succesvol naar school moeten kunnen gaan, waarbij ze zo lang en goed mogelijk een passende plek vinden binnen het reguliere onderwijs en alleen als het niet anders kan in het speciaal onderwijs terecht komen. We streven naar zo inclusief mogelijk onderwijs.

Dat is natuurlijk algemeen beleid dat in Nederland sinds de invoering van het passend onderwijs overal van kracht is. Het idee is dat alles uit de kast moet worden gehaald om ingewikkelde, moeilijke, complexe, lastige, beperkte of meer begaafde kinderen toch een plek in het reguliere onderwijs te geven. Dat betekent dat leerkrachten daarbij ondersteund moeten worden, dat ze hulp moeten kunnen inroepen, dat de groepsgrootte op orde moet zijn, dat ze meer verdieping of verbreding krijgen, dat de gebouwen en schoolpleinen niet te benauwd zijn en voor kinderen veiligheid bieden, dat er kennis naar de school toe moet, onderwijskennis, pedagogische kennis, diagnostische kennis, jeugdhulpkennis, noem maar op.

Achter de eenvoudige formule, zoveel mogelijk regulier en zo weinig mogelijk speciaal, gaat – zoveel is mij het eerste half jaar wel duidelijk geworden - een enorme wereld schuil van steeds verschillende verhalen, wisselende interventies, andere omgangsvormen, creatief maatwerk, intensieve uitwisseling, nieuwe ondersteunings- en jeugdhulparrangementen. Er moet kennis van het speciaal onderwijs – waar leerkrachten kunnen lezen en schrijven met de meest ingewikkelde kinderen – overgeheveld worden naar het reguliere onderwijs. Jeugdhulpprofessionals moeten het regulier onderwijs als werkterrein gaan zien, daar observeren, diagnosticeren, interveniëren, meedenken met leerkrachten en ouders.


Onderling vertrouwen
Dat gaat niet vanzelf. Dat moet groeien. Er moet vertrouwen groeien dat verschillende deskundigheden en professionals van elkaar op aan kunnen. Er moet doorgebouwd worden op openheid die reeds gegroeid is, om kennis te delen, om elkaar op te zoeken, te bevragen. Onderling vertrouwen is het belangrijkste wapen om de wet-van-het-doorschuiven te doorbreken. Met die wet wordt een kind dat buiten het gareel valt na verloop van tijd door geschoven, het wordt onhoudbaar, het verstoord de klas, het komt tekort, het maakt het werken onmogelijk, totdat het verwijderen als enige oplossing over blijft. Dat is een krachtige wet, waar het passend onderwijs tegenop moet boksen. Het is een wet die voorkomt dat er echt alles uit de kast wordt gehaald. Het is ook een wet die gedragen wordt door leerkrachten die de wanhoop nabij zijn, die zich echt geen raad meer weten en geen kant meer op denken te kunnen. Het passend onderwijs moet hen met raad en daad te hulp schieten, alternatieven bieden, kennis beschikbaar stellen, oplossingen bieden, zodat ze er weer vertrouwen in krijgen.

In Almere zijn we daar de afgelopen vier jaar mee begonnen. Maar de wet-van-het-doorschuiven hebben we nog lang niet overwonnen. De intensieve uitwisseling van kennis, het bedenken van creatieve oplossingen – het kan allemaal beter. We hebben goede vorderingen gemaakt nu de jeugdhulp en jeugdgezondheidszorg binnen het onderwijs aan het werk zijn; dat verscherpt het inzicht en vermindert de onmacht. Maar we moeten nog veel meer kennis en menskracht in stelling brengen om de wet-van-het-doorschuiven zoveel mogelijk buiten werking te zetten. We moeten creatieve en effectieve vormen van financiering tot stand brengen die passend onderwijs daadwerkelijk belonen. Dat lukt niet door het op papier te zetten, dat is een cultuuromslag die ook niet in vier jaar tot stand komt. Dat lukt door elkaar op te zoeken, en zich voor elkaars kennis en kunde open te stellen. Daar gaan we de komende vier jaar in Almere volop werk van maken.


> de blog als pdf

Hetty Vlug

"Hetty Vlug blogt over haar ervaringen en inzichten als directeur van de coöperatie Passend Onderwijs Almere en bestuurder van Almere Speciaal, het Taalcentrum en het OPDC."



Terug