Alle hens aan dek

Alle hens aan dek

Het basis- en voortgezet onderwijs gaan moeilijke tijden tegemoet. Vooral het schrijnend gebrek aan leerkrachten en docenten zal de druk op onderwijsorganisaties enorm doen toenemen. Scholen die met kunst- en vliegwerk mensen voor de klas krijgen zijn veel tijd kwijt aan sollicitatiegesprekken, het bijstellen van roosters en inwerken dan dat ze tijd hebben voor het versterken van de onderwijskwaliteit. Er wordt bovendien een bovenmatig beroep gedaan op de collega’s om de gaten op te vullen, wat de ziekteverzuimcijfers niet ten goede zal komen. En dan zwijg ik nog maar over de pensioneringsgolf die veel scholen te wachten staat, die niet alleen een leegloop aan ervaren personeel betekent, maar ook nog eens nog meer vacatures waarvan het maar de vraag is of deze vervuld kunnen worden. Dat er met deze vooruitzichten in Den Haag nog steeds niet gesproken wordt over een Deltaplan Kwaliteit Onderwijs verbaast mij. Het is in ons land kennelijk nog steeds vanzelfsprekender om grootschalige investeringen te plannen voor dijken, wegen en huizen dan voor de kennisontwikkeling van komende generaties. Dat kan ons nog wel eens duur komen te staan.

Riemen zoeken
Maar goed, ondertussen moeten we roeien met de riemen die we hebben. En als we het met het eigen onderwijspersoneel niet meer voor elkaar krijgen moeten we die riemen misschien wel meer buiten het formele onderwijs zelf gaan zoeken. Dan zou het dreigende personeelstekort een versnelling kunnen aanbrengen in het openbreken van de grenzen tussen het onderwijs aan de ene kant en de rol van buitenstaanders aan de andere kant. Dat is een tendens die op terreinen als zorg, leefbaarheid en welzijn steeds vanzelfsprekender is geworden, maar die in het onderwijs nog altijd moeite kost. We spreken overal over participatiesamenleving, we kennen een vrijwillige brandweer en zelfs politie, maar als het over het onderwijs gaat houden we de buitenwacht toch liever op afstand. De vraag is of dat in de omstandigheden die zich meer en meer aan ons opdringen nog we de meest adequate strategie is om onderwijs kwalitatief overeind te houden.

Sluiten of juist niet?
Mag ik u als voorbeeld het verhaal vertellen van de basisschool ’t Palet in de Eindhovense wijk Woensel-West. Zo’n tien jaar geleden stond deze school, gelegen in één van de toenmalige Vogelaarwijken, aan de rand van de afgrond. Ouders begonnen de school te vermijden en brachten hun kroost liever een wijk verder naar school. De inspectie dreigde met zware maatregelen, het personeel werd moedeloos, de school steeds zwarter. Sluiting leek een kwestie van tijd.

Toch werd ’t Palet vier jaar later uitgekozen tot de beste school van Brabant. Niet omdat de school zichzelf uit het moeras optrok, maar omdat het herstel van de school de kern vormde van de aanpak om de hele wijk een beter aanzien te geven. Midden in de wijk kwam een spiksplinternieuw gebouw te staan, waarin niet alleen de basisschool een plek kreeg maar ook buurtorganisaties en zorginstellingen. Vrijkomende woningen in de wijk werden toegewezen aan mensen die zich bereid hadden verklaard tegen een huurkorting van honderd euro per maand vrijwilligerswerk te verrichten in de wijk. Een groot deel van deze vrijwilligers meldde zich bij de school om kinderen met achterstand extra taalles te geven. Zo ontstond er een spiraal naar boven die krachtig gevoed werd door een directeur die iedereen die een nuttige bijdrage aan de school kon leveren wist in te schakelen. Zo begon de school met muzieklessen en kregen er allerhande andere culturele uitingen een plek in en na schooltijd. De stemming sloeg totaal om. Binnen een paar jaar was de school versterkt met een kring van tientallen vrijwilligers en ouders die zich voor de kinderen en de school verantwoordelijk voelde en hand- en spandiensten leverden aan leerkrachten die hen ook steeds vaker wisten in te schakelen.

De resultaten zijn verbluffend. Niet eerder is een school in Nederland zo snel uit zijn as herrezen als deze school in Woensel-West. Ouders die met hun kinderen eerst naar andere wijken vluchtten staan nu in de rij om hun kinderen aan te melden. De school vreest inmiddels dat het gebouw te klein is voor de toestroom.

Ik weet natuurlijk heel goed dat het Woensel-West-verhaal niet zomaar kopieerbaar is naar andere scholen. Maar de les die ik ervan geleerd heb is dat als je in zwaar weer belandt dat je dan je kring groter moet maken. Dat is een advies dat niet alleen nuttig is voor persoonlijke problemen, maar ook voor organisaties die in omstandigheden verzeild raken waarin zij slechts met uiterste inspanningen hun taken kunnen verrichten.  Vraag om hulp, mobiliseer deskundigheid buiten je eigen kring, gooi de deuren open.

Maak de kring groter
In werkelijkheid doen we regelmatig het tegenovergestelde. We kruipen in onze schulp, laten ons niet kennen en zetten nog een tandje bij, doen een groter beroep op collega’s en hopen dat de donkere wolk een keer overdrijft. Ik vrees dat dat toch een vorm van collectieve struisvogelpolitiek is die het chagrijn vergroot en uiteindelijk ten koste gaat van leerlingen en hun ontplooiingsmogelijkheden. 

Ik ben ervoor dat we zoals dat in Woensel-West gebeurde, meer de andere kant op gaan kijken. Wie kan ons helpen? Wat kunnen ouders meer doen? Welke deskundigheden hebben we nodig en wie zouden dat kunnen bieden?  Kunnen we andere arrangementen op school maken als het gaat om kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte? Kunnen we vrijwilligers de school intrekken die kinderen extra kunnen begeleiden? Kunnen we daarvoor samenwerken met buurtorganisaties, welzijnswerkers, ouder(en)organisaties? Kunnen we bepaalde taken zo definiëren dat ze voor ouders of vrijwilligers uitvoerbaar zijn? Kunnen we, om het even samen te vatten, op scholen een cultuur creëren waarvoor niet alleen leerkrachten verantwoordelijk zijn, maar waarvan naar de kring rondom een voortdurende uitnodiging uitgaat om mee te doen.

Voor mij maakt zo’n cultuur de kern van passend onderwijs. Dat gaat immers altijd over een extra inspanning, een stapje extra om een leerling net die ondersteuning te bieden die nodig is om hem of haar vooruit te helpen. Dat is juist ook het stapje extra wat een leerkracht zelf even niet kan opbrengen, waarin hij even een beroep moet doen op anderen, op andere deskundigen. Passend onderwijs is eigenlijk een vorm van de kring vergroten als de school even dreigt vast te lopen met een leerling.  Het makkelijkste lijkt dan om hem of haar te verwijderen, het nuttigste is om hulp van buiten in te roepen, van ouders, van deskundigen of van betrokken burgers om dat te vermijden.

Nog even afgezien van het zware weer dat het onderwijs te wachten staat denk ik dat zo’n uitnodigende en open participatiecultuur het onderwijs enorm ten goede zou komen. Zonder dat ik aan de verantwoordelijkheid en professionaliteit van onderwijsprofessionals zou willen tornen, denk ik dat in onze huidige samenleving leerkrachten niet langer als een kennis- of opvoedingsmonopolist in de klas kunnen worden gezien. Ze zijn een hoofdrolspeler in een educatievoorstelling, waarin steeds meer mensen figureren. Als de sombere vooruitzichten het onderwijs helpen om zich daarnaar te gedragen dan zou de wijsheid van de grootste filosoof van ons land, het orakel Johan Cruijff, ook hier van toepassing zijn: ‘elk nadeel heb z’n voordeel’.

 

"Hetty Vlug blogt over haar ervaringen en inzichten als directeur van de coöperatie Passend Onderwijs Almere en bestuurder van Almere Speciaal, het Taalcentrum en het OPDC"



Terug