De kring groter maken

De kring groter maken

Het is natuurlijk een open deur om te zeggen dat ouders naast leerlingen de belangrijkste samenwerkingspartners zijn, zeker in het basisonderwijs, maar toch ook in het voortgezet onderwijs. Ze spelen de hoofdrol in de opvoeding van hun kinderen, ook al verloopt dat niet in alle gevallen even soepel. De thuissituatie is bovendien van grote invloed, zo niet bepalend, op schoolprestaties. Dus ja, alle reden om samen op te trekken.

Luizenmoeder

Toch voltrekt die samenwerking zich lang niet altijd vanzelfsprekend. Ouders zijn niet alleen opvoeders, maar ook belangenbehartigers. Ze willen het beste voor hun kind en in die modus zijn ze snel geprikkeld als het niet allemaal gaat zoals zij het zich hadden voorgesteld. Probleem van leerkrachten is vaak dat ze al op dit gedrag anticiperen voordat het vertoond is. Ze schermen hun professionele domein af, neigen vooral naar positief nieuws en tonen zich terughoudend in de communicatie, want voor je het weet….. Dat is ook een overlevingswijze want intensief met alle ouders communiceren zou een dagtaak erbij betekenen, tijd die domweg niet ter beschikking is.

Dat levert overigens in de meeste gevallen geen problemen op. De 10-minutengesprekken of andere regelmatige contacten volstaan; het kind ontwikkelt zich zoals het hoort en de leerprestaties geven geen aanleiding tot irritaties. Maar soms gaat er wel iets mis, en dan zijn de stellingen snel betrokken en kunnen gesprekken gemakkelijk ontsporen. Ouders bijten zich vast in verwijten, leerkrachten schieten in de verdediging, beroepen zich op toetsen en cijfers, dan wel op incidenten en gedrag. Dat levert niet altijd aangename gesprekken op, om het vriendelijk uit te drukken. Wat dat betreft waren niet alle scenes van de Luizenmoeder aan de fantasie ontsproten.

Netwerk verbreden

Kunnen we daar aan ontsnappen? Wij gaan natuurlijk niet over ouders. Maar wel over onze eigen handelswijze. Ik denk wel eens: we laten ouders soms ook echt ploeteren. Niet lang geleden liep er in een van onze speciaal onderwijs-scholen een jongen van vijftien weg. Dat deed hij vaker en doorgaans liep hij dan naar huis en was er telefonisch contact met de moeder en kwam het allemaal goed. Maar deze keer ging de jongen niet naar huis en was de moeder onbereikbaar. Een vader was sowieso niet in beeld. Er zat niks anders op dan de politie te bellen…

Maar ik dacht: waarom kunnen we niet iemand anders bellen, een opa, een tante, een buurvrouw? Waarom weten we weinig of niks van het netwerk, waarom hebben we haar daar nooit naar gevraagd? Nu verwijten we haar eigenlijk dat ze telefonisch niet bereikbaar was, maar hoe redelijk is dat eigenlijk?

In de sociale hulpverlening heeft de afgelopen jaren de opvatting terrein gewonnen dat professionals er niet komen als ze slechts een-op-een relaties aangaan met de mensen die een beroep op hen doen. Hoe goed ze ook zijn, ze zijn eigenlijk altijd passanten. Dus is het zaak om betekenisvolle mensen in de omgeving van mensen erbij te betrekken. Hun steun en praktische betekenis leiden vaak tot stabielere situaties dan de indringende adviezen van de hulpverlener die daarna naar haar volgende cliënt vertrekt. Dus moeten die naasten in de hulpverlening een rol kunnen spelen.

Maatje

Ik vind die gedachte ook aantrekkelijk voor het onderwijs. Kan de kring niet groter gemaakt worden voor de kinderen die bij voortduring spijbelen, en waar de ouders al heel vaak en zonder succes op zijn aangesproken? Wie kan hen helpen? Voor de kinderen die agressief gedrag vertonen op school, waarbij de school ouders en kind op het matje roept en met schorsing en verwijdering moet dreigen. Waarom niet een soort Eigen Kracht conferentie, zoals die ook in de jeugdzorg plaats vindt op het moment dat een onder toezichtstelling of uithuiszetting dreigt en waarin familie en bekenden met elkaar in beraad gaan voor een alternatief plan. Waarom bij ouders van thuiszitters niet een andere vorm van beraad dan met de gebruikelijke instanties? Waarom bij stagnatie in de leerontwikkeling niet de hulp inroepen van een maatje in de familie? Zoals dat steeds vaker in de jeugdzorg gebeurt door het inschakelen van JIM’s (Jouw Ingebrachte Mentor, een vertrouwenspersoon van de jongere die als schakel fungeert met de jeugdzorg en zich min of meer over het lot van de jongere ontfermt). 

Het lijkt omslachtig, het riekt naar extra taken - moet het onderwijs dat wel doen? Daarom komt het, zo vermoed ik, allemaal niet van de grond. Maar volgens mij is het niet zozeer een kwestie van extra werk, maar vooral ook een manier van kijken, van interesse, van vragen aan ouders die met hun kinderen worstelen wie hen kan helpen, en wat de school daarbij kan betekenen? Gewoon de eenvoudige vraag stellen: wie kunnen we bellen als je niet bereikbaar bent? En als dat niemand is, moet je misschien toch even een ander gesprek voeren dan het vakje leeg laten.

"Hetty Vlug blogt over haar ervaringen en inzichten als directeur van de coöperatie Passend Onderwijs Almere en bestuurder van Almere Speciaal, het Taalcentrum en het OPDC."



Terug