Een op tien

Een op tien

Een paar weken voordat de schoolvakantie erop zat, las ik een krant het volgende bericht:  ‘Uit onderzoek van het Trimbos-instituut blijkt dat 43 procent van de Nederlanders ooit een psychische diagnose heeft gehad. Van het aantal werkenden heeft één op de vijf op dit moment een psychische aandoening, blijkt uit cijfers van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).’ Normaal lees ik over zulke cijfers heen, maar het was vakantie en ik had tijd om na te denken.

Ik dacht: het gaat eigenlijk best slecht met Nederlanders als nagenoeg de helft van de bevolking een psychische diagnose heeft gehad. Ik weet niet hoe het kwam, maar naarmate het einde van de vakantie naderde, zag ik in kranten, tijdschriften en boeken steeds meer cijfers langs komen die er bepaald niet om logen. Zo heeft één op de vijf Nederlanders last van tamelijk ernstige depressieve gevoelens.  Eén op de twee à drie huwelijken mondt uit in een scheiding. Een op de zes à zeven Nederlanders (zo’n 15 procent) kent min of meer problematisch schulden en heeft moeite om de eindjes aan elkaar te knopen. Eén op de zeven Nederlanders (14%) staat te boek als zwakbegaafd (IQ onder de 85).

Grote-mensen-statistieken

Dat is niet niks. Opmerkelijk is dat deze cijfers suggereren over alle Nederlanders te gaan, maar in werkelijkheid gaan ze over volwassenen. Kinderen hebben heel andere, eigenlijk behoorlijk minder dramatische statistieken. Zo kwam ik tegen dat een op de twintig kinderen dyslectisch en een op de dertig kinderen (tot 11 jaar) ADHD heeft. Wat mijn wenkbrauwen wel deed fronsen was de statistiek dat één op de zeven kinderen op enigerlei wijze in aanraking kwam met jeugdzorg. Dat kan niet kloppen, dacht ik meteen.

Dat kinderen in de grote-mensen-statistieken meestal niet mee tellen is op zichzelf niet verwonderlijk. Leed en ellende zijn, zo zijn we geneigd te denken, toch vooral grote-mensen-dingen. Kinderen zijn onbedorven, onbeschreven bladen. Ze zijn te jong om schulden te maken, ze zijn te jong om te lijden aan het leven en trouwen zit er voor hen voorlopig nog niet in. Daarom tellen ze niet mee in de wereld van de cijfers.  

Maar in de echte werkelijkheid natuurlijk wel. Want al die een-op-zoveel-grote-mensen-statistieken hebben natuurlijk wel invloed op het leven van kinderen. Sterker, in het moderne bestaan zijn de verbindingen tussen ouders (volwassenen) en hun kinderen betrokkener en emotioneler dan ooit. Tegenslag en ongeluk van ouders zijn daarom niet langer te verstoppen voor hun kroost. Hoe jong ze ook zijn, de zorgen over financiële problemen, de ruzies rondom echtscheidingen, de veranderingen met betrekking tot stemmingswisselingen heeft onmiskenbaar invloed op hun ontwikkeling, en dus op hun schoolprestaties.

Een op tien?

Dat besef stemde mij aan het einde van de schoolvakantie enigszins somber. Want als je al die een-op-zoveel statistieken serieus neemt (ook al is er ongetwijfeld reden om er het nodige op af te dingen)  en tot een soort gemiddelde verdisconteert, dan schrik je wel. Want dan is het niet heel erg overdreven om te verwachten dat ruwweg één op de tien kinderen in hun onderwijscarrière door omstandigheden in de problemen komt.  Dat zijn de kinderen die niet goed mee komen omdat hun ouders niet in staat zijn om een adequaat opvoedingsmilieu tot stand te brengen, kinderen die niet bij de les zijn omdat hun ouders uit elkaar gaan, kinderen die lijden  onder de financiële stress van hun ouders. Een op de tien! Nou, laat het een op de elf of twaalf zijn. Dat gaat altijd nog om een forse groep kinderen.  

Ga daar in het onderwijs maar aan staan. Maar vlak voor de vakantie voorbij was realiseerde ik me dat het onderwijs dat al jaren doet. En eigenlijk heel goed. Want de groep kinderen die wegens opvoedings- en leerproblemen in het speciaal onderwijs belandt, komt – gelukkig – niet in de buurt van de 10, 9, 8 of 7 procent, maar schommelt al jaren rondom de 3 procent; dat is dus minder dan een op de 33 kinderen. Betekent dat nu dat die andere - pak hem beet - 5 procent ‘moeilijke’ kinderen er niet is, dat de cijfers vertekend zijn? Wellicht, statistieken hebben nu een ingebakken neiging om te overdrijven.

Drie procent

Maar hoe je het ook wendt of keert betekent het verschil tussen 3% en 8, 9 of 10% betekent dat een zeer aanzienlijke groep kinderen ondanks behoorlijk ernstige problemen, ondanks indringende leermoeilijkheden en achterstanden, ondanks ellende thuis, gewoon dagelijks de gang naar hun vertrouwde reguliere school maken. Dat daar leerkrachten zijn die daar hun stinkende best voor doen, die deze kinderen les geven en proberen op te vrolijken of te stimuleren, die met ouders in gesprek gaan, extra aandacht geven en daar indien nodig ondersteuning bij krijgen. Die leveren dus – kwantitatief en kwalitatief - een geweldige prestatie.

Toen dat tot me doordrong had ik ontzettend veel zin om weer aan het werk te gaan. We kunnen veel kinderen een hoop ellende besparen. Ik wens hen, hun ouders en hun leerkrachten een heel mooi schooljaar.



Terug