Flexibiliteit als tweede natuur

Flexibiliteit als tweede natuur

Het eerste wat ik wilde doen toen ik aantrad als bestuurder van het passend en speciaal onderwijs in Almere was zoveel mogelijk stedelijke voorzieningen (de scholen van het samenwerkingsverband) bezoeken. Ik ben meer dan 15 jaar ambtenaar geweest bij de gemeente Amsterdam en daar heb ik gezien dat er heel gemakkelijk over professionele praktijken kan worden gesproken zonder dat de mensen aan de vergadertafel enig zicht hebben over wat er precies gebeurt. Ze weten niet hoe het ruikt, hoe de gebouwen eruitzien, hoe de mensen koffiedrinken en over hun werk praten. Ze kennen het werk als beleidsveld, ze kennen de registratiecijfers, de kostenplaatjes, de beleidsdoelstellingen. Ze hebben, kortom, voldoende stof tot praten, maar eigenlijk weten ze niet precies waar ze het over hebben.

Sinds ik deze beleidsblindheid begon te ontdekken ben ik erop uit getrokken. Ik wilde weten hoe de werkplekken van de mensen waar we beleid over maakten er uitzagen, wie het waren, welke verhalen ze te vertellen hadden, hoe de koffie smaakte. Dat was niet alleen altijd leuk en informatief, maar vooral ook leerzaam. Het heeft geholpen in het bestrijden van bureaucratische controlereflexen die nu eenmaal aan elke beleidsapparaat eigen zijn.

Daarom ben ik ook in Almere begonnen met zoveel mogelijk werkbezoeken. Dat deed ik niet alleen uit nieuwsgierigheid, maar ook omdat het werkveld van het passend onderwijs voor mij relatief nieuw is. Ik moet mij dus laten voeden door de mensen die er veel meer van weten dan ik. In de weken voor de vakantie heb ik al veel scholen bezocht, en ook na de zomervakantie ben ik vast van plan om mijn licht op zoveel mogelijk werkplekken op te steken.

En zoals altijd viel mij op met hoeveel passie en gedrevenheid professionals hun werk doen. Dat is eigenlijk iets wat in de publieke meningsvorming over het functioneren van publieke voorzieningen zo makkelijk wordt genegeerd. Dan melden de kranten dat uit onderzoek van de Algemene Rekenkamer blijkt dat niemand een idee heeft of de 2,4 miljard euro aan passend onderwijs effectief wordt besteed. Alsof mensen er op grote schaal een potje van maken!

Een uurtje achterin een groep is voldoende om te weten dat het tegendeel waar is. De macrocijfers laten zich absoluut niet rijmen met de dagelijkse praktijk. Ze zeggen niks over het geduld, over het vakmanschap, over de dagelijkse inzet om leerlingen vooruit te helpen. In mijn ogen had dat vak zo’n intensiteit dat ik me afvroeg of het Grote Doel, namelijk kinderen weer ‘rijp’ maken voor het gewone onderwijs niet problematisch was. Je investeert als leerkracht eigenlijk vooral in een zo snel mogelijk afscheid van de leerling. Is dat niet lastig?

Nou nee, vertelde een van de leerkrachten me. ‘In dit werk is flexibiliteit onze tweede natuur. Geen dag is hetzelfde. Onze leerlingen doen onverwachte dingen. Je moet je dus voortdurend aan de omstandigheden aanpassen, je hebt wel een plan, een aanpak, maar dat is geen vast parcours, dat moet je aanpassen aan de situaties zoals die zich voordoen. Dat is juist de kunst van dit werk. En als dat dan leidt tot succes, tot een stap naar het reguliere onderwijs, dan neem je geen afscheid, dan ben je tevreden. Daar doe je het voor.’

O ja, denk ik dan. En meteen: misschien moeten onderzoekers van de Algemene Rekenkamer hier ook eens komen kijken, in plaats van zich blind te staren op cijfers en registratiesystemen.

> de blog als pdf

Hetty Vlug

"Hetty Vlug blogt tweewekelijks over haar ervaringen en inzichten als directeur van de coöperatie Passend Onderwijs Almere en bestuurder van Almere Speciaal, het Taalcentrum en het OPDC."



Terug