Lakmoesproef

Lakmoesproef

Het gebeurt niet vaak dat er in de media op een fundamentele wijze stil wordt gestaan bij het onderwijs. De berichtgeving gaat meestal over iets wat er mis is gegaan of over het lerarentekort of over een islamitische school die onder verdenking staat. Over wat heden ten dage onze kinderen precies leren in het onderwijs en hoe dat dan moet daarover kom je maar bitter weinig tegen in de dagelijkse kost die de media ons voorschotelen.

Daarom is de onderwijsspecial waarmee De Groene Amsterdammer ons vorige week bediende een verademing. Meer dan honderd pagina’s vol met reportages, analyses, interviews, beschouwingen en interessante portretten over wat op de cover wordt omschreven als de ‘pedagogisch spagaat van het onderwijs’: ‘creativiteit én hoge cijfers, feitenkennis én sociale wendbaarheid, stampen én reflecteren’.  Het is een debat dat het onderwijs altijd al heeft vergezeld: brengt het onderwijs vooral (cognitieve) kennis bij of maakt het van leerlingen adequate burgers met de daarbij horende sociale, emotionele, morele en democratische vaardigheden? Vanaf de jaren zestig hebben zich tal van onderwijsvernieuwers gemeld die een alternatief boden voor het klassieke onderwijs, waarin de docent voor het schoolbord en achter de lessenaar zijn leerstof aan de in rijen van twee opgestelde leerlingen probeerde over te brengen. Kenmerk van vrijwel alle vernieuwers is dat ze ruimte maken voor de leerlingen om zelf te leren nadenken, zelf te ontdekken, nieuwgierig te worden, interesse te ontwikkelen, om kennis je echt eigen te maken en dus sociale en emotionele intelligentie te ontwikkelen.

Je kunt met gerust hart zeggen dat sindsdien de vernieuwers in het onderwijs de overhand hebben gekregen. Docenten zoals ze vijftig jaar geleden voor de klas stonden kom je niet meer tegen. De ene onderwijskundige vernieuwing volgde de andere op, zoals de parlementaire commissie-Dijsselbloem in 2008 concludeerde, zonder dat de resultaten goed beklijven?  Sterker, er werd zoveel op het onderwijs geprojecteerd (aandacht voor lichamelijke verzorging, milieu, informatietechnologie, burgerschap, et cetera) dat steeds vaker de vraag opkomt of de basisvaardigheden (rekenen, schrijven, spellen, formuleren, geschiedenis, aardrijkskunde) niet te zeer verwateren. Hedendaagse populisten maken het zelfs zo bont hier een vorm van linkse indoctrinatie in te ontwaren.

Feit is de vernieuwing van het onderwijs de afrekenbaarheid van het onderwijs er niet gemakkelijker op gemaakt. Reden waarin nu ook, zo blijkt uit de special van De Groene Amsterdammer, de roep om evidence based-onderwijs steeds luider wordt. We moeten alleen dat onderwijs geven dat bewezen effectief is, zo is de gedachte hierachter. De manier van denken stamt uit de zorg en heeft zijn weg gezocht in allerhande vormen van sociale hulpverlening. Zonder veel succes overigens. Naarmate er meer verschillende omstandigheden en uiteenlopende mensen in het geding zijn is het moeilijker om precies greep te krijgen op die factoren die succesvolle interventies bepalen. Op die werkelijkheid zullen de evidence-based adepten ook in het onderwijs vastlopen, reden waarom in de discussie al teruggegrepen wordt op de evidence-informed variant. Stel je in ieder geval op de hoogte van wat zou kunnen werken.

Maar goed, wat mij opvalt in zulke discussies, ook in de special van De Groene, is dat leerlingen in de legitimering van onderwijsmethoden als een tamelijke homogene categorie tevoorschijn komen. Er is weliswaar persoonsgericht onderwijs, dat rekening houdt met de talenten en nieuwsgierigheid van het kind, maar dat gezegd hebbende lijkt het erop dat elk kind daaraan voldoet, mits ze een schooltype heeft gekozen dat bij de verwachtingen en ambities van de ouders aansluit. Zo ontstaan de echte Montessori-kinderen, de heuse Dalton-kinderen, de Vrijeschool typische -kids en ga zo maar verder. De ervaring van het passend onderwijs is echter dat elke onderwijsaanpak niet alleen haar eigen prototypische kinderen voortbrengt, maar ook kinderen die het net niet halen, die afhaken, gedragsproblemen hebben. In veel gevallen zullen ze al door een soort selectie aan de poort niet voor zo’n school kiezen, maar onmiskenbaar kent elke schooltype, van klassiek tot alternatief, haar ‘zorgkinderen’ en helaas ook haar uitvallers. Wat mij nu fascineert is welke onderwijsaanpak als het ware een groter ‘natuurlijk’  vermogen heeft om ‘zorgkinderen’ op te vangen, om ze te ondersteunen en bij de les te houden. Zijn de vormen van persoonsgericht onderwijs daartoe beter in staat dan de oude vormen van `instructiegericht onderwijs’? Of duurt het daardoor juist langer voordat de ondersteuningsvraag erkend wordt en vallen kinderen er eerder door af? Draagt individueel gericht onderwijs juist eerder bij tot segregatie omdat kinderen uit milieus waarin minder sociaal en cultureel kapitaal is neergeslagen daarin moeilijker meekomen en eerder naar speciale vormen van onderwijs worden verwezen? Hoe inclusief is eigenlijk dat ambitieuze op ideale vormen van burgerschap gericht onderwijs?

In het inleidende essay van het nummer van De Groene Amsterdammer wordt even aangestipt dat onze moderne welvaartssamenleving steeds minder bepaald wordt door de tegenstelling tussen have’s en have-not’s en steeds meer door de tegenstelling can’s en can-not’s. Om vervolgens vooral  aandacht te geven aan de vraag hoe het can-onderwijs eruit zou moeten zien. Terwijl de lakmoesproef voor de kwaliteit van het onderwijs juist ook de kwaliteit van het onderwijs aan de can-not’s zou moeten zijn. Helaas wordt in geen van de artikelen aandacht besteed aan de dilemma’s rond passend onderwijs of de groei van het speciaal onderwijs. Misschien een tip voor een volgende special?

> Klik om de onderwijsspecial van De Groene Amsterdammer gratis te downloaden 

 

 

 "Hetty Vlug blogt over haar ervaringen en inzichten als directeur van de coöperatie Passend Onderwijs Almere en bestuurder van Almere Speciaal, het Taalcentrum en het OPDC."



Terug