Lessen uit de geschiedenis van het speciaal onderwijs

Lessen uit de geschiedenis van het speciaal onderwijs

Wat we kunnen leren van 50 jaar onderwijs geschiedenis. De plannen zijn goed, de praktijk weerbarstig.

Kennis uit het verleden
Er zijn momenten dat ik me afvraag of ze in politiek Den Haag nog wel over een bibliotheek beschikken. Of dat opiniemakers voordat ze hun mening ventileren zich de moeite getroosten om zich in de geschiedenis te verdiepen. Dan wel er even rustig voor gaan zitten om hun opwinding tot bedaren te laten komen en de tijd nemen om greep te krijgen op hoe de vork in de steel zit.

Nu wil ik geen enkele thuiszitter goedpraten en kunnen de samenwerkingsverbanden betere resultaten boeken, maar het kost wel heel veel energie om de snelle meningen en oordelen te confronteren met de nuance van de werkelijkheid, terwijl je van verantwoordelijke politici en opiniemakers toch op zijn minst mag verwachten dat ze daar kennis van nemen.  

Want in die bibliotheek tref je meters geschriften aan over hoe wij de afgelopen halve eeuw geprobeerd hebben om de groei van het speciaal onderwijs in te dammen en de zorg voor kinderen met leer- en gedragsproblemen binnen het reguliere onderwijs te optimaliseren. Dat is dus niet een thema waar we sinds het ontstaan van samenwerkingsverbanden passend onderwijs in 2014 mee bezig zijn, maar een kwestie waar we inmiddels vijftig jaar mee worstelen. Dat is al meteen een eerste relativering voor snelle oordelen.

Contourennota
Heel veel beleidsnota’s in de bibliotheek vertellen het verhaal van 17 soorten buitengewoon onderwijs zo rondom 1970, allemaal apart schooltjes voor LOM, MLK, lichamelijk of visueel gehandicapten in alle soorten en maten. Voor ieder probleem of handicap was er wel een uitweg gevonden. Het was de Contourennota van minister Van Kemenade in het kabinet Den Uyl, die daar voor het eerst vraagtekens bij plaatste. De nota bepleitte een brede basisschool, de middenschool, waar selectie zo lang mogelijk werd uitgesteld en iedereen zo lang mogelijk mee kon doen. Dus ook de kinderen die toen naar al die vormen van speciaal onderwijs werden verwezen. Dat moest veel minder, daar was iedereen het over eens. Maar in de praktijk kwam er weinig van terecht; sterker, begin jaren tachtig begon de verwijzing naar het speciaal onderwijs, en dan vooral de LOM- en ZML-scholen, spectaculair te groeien tot zo’n 5% van de schoolgaande kinderen. Dat is een tweede relativering uit de bibliotheek:  met goede intenties kom je er niet.

Weer Samen Naar School
Dat leidde uiteindelijk in 1990 tot de nota Weer Samen Naar School van staatssecretaris Jacques Wallage, een stukje verder op de bibliotheekplank te vinden. Daarin wordt vastgesteld dat scholen ook moeten gaan samenwerken om meer leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte regulier les te blijven geven en voor deze relatief kleine groepen kennis te verzamelen om hun ontwikkeling in het reguliere onderwijs ook echt en professioneel van de grond te tillen. Daarvoor kwam ook geld ter beschikking, maar een belangrijk doel bleef om de groei en daarmee de kosten van het speciaal onderwijs te beperken. Het was een gematigd succes; samenwerken tussen onderwijsinstellingen bleek niet iets waar ze in uitblonken; de restanten van verzuilde structuren bleken een hardnekkig obstakel. De toestroom tot het speciale onderwijs vlakte wel wat af.  

Bij al die vernieuwingen werd steeds met nadruk gemeld dat – anders dan in landen als de VS, Canada, Zweden, Denemarken,  Italië, Verenigd Koninkrijk - het speciaal onderwijs zelf niet ter discussie stond. Zo bleven er twee gescheiden onderwijssystemen bestaan, en daarmee de institutionele verleiding om bij moeilijk lerende of zich lastig gedragende kinderen deze naar het speciaal onderwijs te door te schuiven.  Dat leert de bibliotheek ook.

Opmaat tot samenspel
De bibliotheek staat bovendien vol met adviezen om dat afschuifgedrag tegen te gaan. Het uit 1990 stammende rapport Opmaat tot samenspel van de toenmalige adviesraad voor het basisonderwijs, het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs behandelt indringend hoe het speciaal en regulier onderwijs dichter naar elkaar kunnen groeien en vooral wat leerkrachten nodig hebben om hun verantwoordelijkheid ten opzichte van zorgleerlingen ook echt te kunnen nemen. Er moest in de  opleidingen veel meer aandacht voor komen, leerkrachten zouden geschoold moeten worden, gerichte ondersteuning moeten krijgen, met extra personeel en middelen. Speciaal onderwijs en regulier onderwijs zou onder een bestuur gebracht moeten worden. Prachtig rapport, geweldige adviezen -  er kwam alleen weinig van terecht omdat de investeringen om deze stappen ook echt te zetten uitbleven. Dat is de vierde relativering uit de bibliotheek: wie echt inclusief onderwijs wil realiseren zal fors moeten investeren in de kwaliteit van het onderwijs, de draagkracht van de leerkracht en het vermogen van scholen om kinderen te begeleiden. Eigenlijk is die investering nooit substantieel van de grond gekomen.

Passend Onderwijs
De samenwerkingsverbanden, zoals die sinds 2014 een wettelijk figuur zijn geworden is, zijn dus niet uit de lucht komen vallen, maar een nieuw gerichte stap om vorderingen te maken in het moeizame proces om de ruimte tussen het reguliere en het speciaal onderwijs op te vullen met adequate deskundigheid die scholen helpt om leerlingen zo goed mogelijk te ondersteunen en de toestroom naar het speciaal onderwijs tot de evidente gevallen beperken. Maar die opgave moest wel volbracht worden met een vastgesteld en landelijk genormeerd budget. Het zou een wonder zijn, dat is de vijfde relativering uit de bibliotheek van het verleden, als een probleem waar vijftig jaar beleid op losgelaten is nu bij wet ineens opgelost zou zijn. Zeker als het onderwijs structureel kampt met beperkte middelen, een tekort aan leerkrachten scholen teistert, de aandacht voor onderwijs op maat op pabo’s zeer beperkt is en de klassengrootte eerder toeneemt dan afneemt.

Ik ben ervan overtuigd dat er sinds 2014 langzaam maar zeker vorderingen worden gemaakt. Maar optimaal is het nog lang niet. Nog steeds vallen daardoor kinderen tussen het wal en het schip. Het reguliere onderwijs kan niks met ze en het speciaal onderwijs is niet voor ze ingericht. Onlangs schreef de publiciste Henriette Durvaart in de Volkskrant nog een indringende column over een groep autistische kinderen wiens ouderinitiatief niet langer uit zorgbudgetten betaald kon worden en wiens ouders werden doorverwezen naar de poort van het speciaal onderwijs, die niet meteen was opengegaan om deze kinderen een-op-een-thuisonderwijs te bieden.  Schande! Een mening die gedeeld werd door politici die zich als ware belangenbehartigers voor deze groep opwerpen en daarvoor de beschuldigende vinger wijzen naar al die geldverslindende samenwerkingsverbanden die hier snel wat aan moeten doen. Iets speciaals, ja en dat moet dan maar af van het geld dat eigenlijk bedoeld was om kinderen (en ouders) die extra steun te bieden die nodig is om ze op een reguliere school thuis te laten voelen.

Ze doen eigenlijk precies wat tot 1970 tot een grote versnippering van het toenmalige buitengewone onderwijs leidde; ze openen een nieuw poortje naar speciaal onderwijs zonder de daarbij extra financiering. Ze hebben even geen boodschap aan het feit dat vele generaties politici juist in de weer waren om de poortjes te minimaliseren en de kosten te beheersen. Sterker, ze lijken het gewoon niet te weten. Een middagje bibliotheek had hen in ieder geval daarvan bewust gemaakt en hen behoedzamer gemaakt voor oplossingen die uit de verkeerde geldstroom putten. Maar waar leer je tegenwoordig nog dat de bibliotheek een bron van kennis is?

  

"Hetty Vlug blogt over haar ervaringen en inzichten als directeur-bestuurder van de coöperatie Passend Onderwijs Almere en bestuurder van Almere Speciaal, het Taalcentrum en het OPDC."



Terug