Pedagogische samenwerking

Pedagogische samenwerking

Inkijkje
Tijdens de behandeling van de onderwijsbegroting in 1938 geeft de bevlogen onderwijzer Theo Thijssen, sinds 1933 lid van de Tweede Kamer, zijn collega-Kamerleden een inkijkje hoe het er in de klas aan toe zou moeten gaan. Hij vertelt over de leerkracht die door de klas loopt als de kinderen aan het rekenen zijn. ‘Bij het ene kind staat hij stil en trekt een bedenkelijk gezicht en dat is voldoende om het kind te doen zeggen: o ja, en de fout te doen verbeteren. Bij het andere kind is het bedenkelijke gezicht niet voldoende en moet hij zeggen: Kijk eens, wat je daar gedaan hebt? Bij weer een ander kind moet hij er naast gaan zitten en zeggen: Luister eens, wat hebben we afgesproken, waar je aan denken zou? en daar geeft hij een les van 1½ minuut, en zo behandelt hij ieder kind naar zijn aard, want hij weet, waar bij ieder kind de fout zat.’

Het gaat er niet om, zo doceert Thijssen aan zijn collega-politici, hoeveel fouten een leerling maakt. ‘Neen, hij moet weten wat er achter die fouten zit. Bij de één is het het vluchtige karakter, bij de ander de slordige aard, bij de derde gebrek aan begrip, (…) bij het volgende kind huiselijke omstandigheden, (…) zodat het niet met het hoofd bij de les kan zijn, bij een ander kind is het misschien, omdat het zonder ontbijt van huis is gegaan. In al die gevallen moet de onderwijzer op een andere manier ingrijpen (…). De plicht van de onderwijzer is om stuk voor stuk de kinderen naar hun aard te behandelen, en daarvoor is nodig een eindeloze hoeveelheid van kleine, elk op zichzelf onbelangrijke stukjes wetenschap omtrent de kinderen.’

De kunst van het samenwerken!
Ik gebruikte het citaat van Theo Thijssen woensdagochtend 27 februari tijdens de opening van de door het Samenwerkingsverband Passend Onderwijs Almere georganiseerde conferentie De kunst van het samenwerken. Die conferentie ging immers over de vraag, die ook Thijssen bezighield, namelijk: hoe stellen we leerkrachten in staat om kinderen stuk voor stuk passend onderwijs te bieden? En hoe werken professionals van verschillende disciplines samen als kinderen om extra aandacht en interventies vragen?

Theo Thijssen zag als grootste belemmering: de veel te grote klassen. Tegenwoordig zijn er in de onderwijspraktijk veel meer factoren in het spel die de opgave van leerkrachten om passend onderwijs te geven bepaald niet eenvoudiger maakt, al zeker niet als er zorgen rijzen over het kind.

Tijdens de conferentie gaf onderzoeker en adviseur Bert Wienen, onder meer verbonden aan Hogeschool Windesheim, in een fascinerende presentatie (zie de link onderaan dit blog) een overzicht van wat er allemaal op leerkrachten af is gekomen. Dat is veel, heel veel. Hij had zijn voordracht de licht provocerende titel meegegeven: ‘Weten we van gekkigheid nog wel wat normaal is?’ Of te wel: zijn we in het onderwijs niet in een cultuur terecht gekomen waarin een overspannen alertheid op afwijkingen van het normale steeds meer de toon zet?

Weten we van gekkigheid nog wel wat normaal is?
Wienen voert daarvoor een stortvloed van bewijs aan. Het onderwijs wordt in de tang genomen door aan de ene kant steeds hogere eisen en verwachtingen van de samenleving en van ouders, en aan de andere kant de tragiek dat de werkelijkheid daar niet aan kan tippen. De maatschappelijkke nadruk op presteren en zelfverantwoordelijkheid, gecombineerd met het hoge verwachtingspatroon van ouders, zorgt voor een alsmaar toenemende honger naar oorzakelijke verklaringen voor kinderen die hier niet aan voldoen. Wienen citeert hier de Vlaamse psychiater Paul Verhaege: ‘….tegenwoordig overheerst de overtuiging dat iedereen het in het leven kan (en moet) maken, en dat iedereen zelf verantwoordelijk is voor zijn welslagen of falen. Voor ouders betekent dit een bijkomende last, want zij moeten bovenop hun eigen plicht tot succes er ook nog eens het slagen of mislukken van hun kinderen bij nemen. Een kind dat het slecht doet op school is een regelrechte ramp én een persoonlijk falen. Geen wonder dat elk (pseudo)medisch label in dank aanvaard wordt.’ Tegen die achtergrond behoeft het niet langer verbazing dat bijna 5 procent van de kinderen tussen 4 en 18 jaar een vorm van medicatie krijgt, in 2003 was dat nog geen 1 procent.

Vindplaats
Het is dan ook veelzeggend, aldus Wienen, dat men in de jeugdgezondheidszorg, de jeugdhulp en het schoolmaatschappelijk werk over het onderwijs spreekt als een ‘vindplaats’, als een plek waar men probleemleerlingen kan vinden en behandelen. Dat is geen onschuldig taalgebruik, het getuigt van een specifieke manier van kijken.

Dat is precies het soort samenwerking waar Wienen niet vrolijk van wordt. Want wat er in feite gebeurt, is dat los van de pedagogische praktijk er een medische of psychologische interventie tot stand komt. Eerst wil men weten wat er met het kind aan de hand is, daarvoor dient een test, met een diagnose als uitkomst, dan komt er een behandelprogramma, met geïndividualiseerde doelen voor het kind. Het kind wordt als het ware weggehaald uit de pedagogische context en in de wereld van het problematische ingevoerd.

Meer ruimte en tijd en vooral meer aandacht
We moeten op die weg niet verder gaan, dat was de boodschap die Bert Wienen zijn gehoor voor hield. Testresultaten en meer diagnoses brengen de leerkracht lang niet altijd in een betere positie. We moeten van een pedagogische werkplaats geen psychologisch laboratorium maken. Samenwerking van professionals in het onderwijs moet de pedagogische praktijk niet even buiten werking stellen, maar juist ondersteunen en versterken. Het moet kinderen niet afzonderen, maar mee laten doen. Het moet de leerkrachten in staat stellen om hun leerlingen, zoals Theo Thijssen dat voor zich zag, stuk voor stuk het passende onderwijs bieden die ze nodig hebben. In plaats van dat de pedagogiek zich naar de psychologie of medische wetenschap richt, zou deze zich naar de pedagogiek moeten richten, als deskundige professional en dienstbare compagnon. Precies om die reden wenste Wienen de 120 bezoekers van de conferentie meer pedagogische ruimte en tijd toe en vooral meer aandacht voor wat hij noemde de contextvraag (hoe kunnen we de leeromstandigheden verbeteren) dan de kindvraag (wat mankeert eraan). En dat niet alleen in het regulier onderwijs maar ook in het speciaal onderwijs.

Ik denk dat Theo Thijssen zich heel goed in Wienens betoog had kunnen vinden. Als hij het tenminste had kunnen volgen en niet in verbijstering over zoveel complexiteit al na vijf dia’s was afgehaakt.



Terug