Stille thuiszitters

Stille thuiszitters

Een van de meest wrange kwesties waar het onderwijs mee worstelt is het probleem van de zogenaamde thuiszitters. De kinderen die thuis op de bank of achter hun smartphone zitten en geen plek weten te vinden in het reguliere of speciaal onderwijs. Het zijn er ook niet weinig, het gaat om tussen de 4000 en 5000 leerplichtige kinderen die langer dan drie maanden geen onderwijs volgden. Over hun afwezigheid is in politiek opzicht veel te doen. En begrijpelijk: want elk kind dat geen gebruik kan maken van het recht op onderwijs is er een te veel.

Om die reden is voormalig kinderombudsman Marc Dullaert in 2016 aangesteld als aanjager om de kwestie vlot te trekken. In zijn advies, dat in januari werd gepubliceerd, richt Dullaert zich vooral op de procesmatige en organisatorische kant van de problematiek en pleit hij voor een instantie die echt kan doorpakken als de zaken vastlopen. Dat is ook de titel van zijn eindrapportage: De kracht om door te zetten.

Er was weinig in dit advies waar ik het mee oneens was. Maar toch bleef ik met een onbevredigend gevoel achter. Het Dullaert-rapport zei van alles over allerlei betrokken instanties, maar eigenlijk heel weinig over de hoofdpersonen: de thuiszitters. Het was meer een analyse van de (tekortschietende) systeemwereld, dan van de dagelijkse leefwereld. Vandaar dat ik met veel belangstelling uitkeek naar onderzoek van het Kohnstamm-instituut, waar niet de instanties, maar de leerlingen voorwerp van onderzoek zijn geweest. Eind oktober verscheen het eindverslag onder de titel Niet thuisgeven. Schooluitval vanuit het perspectief van leerlingen: onderzoek naar thuiszitters.

Het is een buitengewoon verrassend onderzoek, dat veel stof tot nadenken geeft.

Net zoals de onderzoekers toen ze aan hun onderzoek begonnen dacht ik –toen ik in 2017 in het onderwijs ging werken- dat de thuiszittersproblematiek vooral te maken had met conflictvolle gedragsproblemen op school. Op de een of andere manier ontwikkelt zich een situatie waarin het kind ‘niet te handhaven’ is, zoals dat in ouderwetse termen heet. De leerling is een storende factor in de orde van de klas en ze slagen zich er niet in om zich in het onderwijssysteem te voegen. Met als gevolg dat het onderwijs hen als ongeleide projectielen begint buiten te sluiten en richting speciaal onderwijs begint te duwen, of – nog erger  - hen thuis op de bank doet belanden. Een lot wat jongens vaker treft dan meisjes,  vmbo’ers vaker dan havisten of vwo’ers. Natuurlijk spelen hierbij ook de bekende negatieve factoren een rol, zoals sociaal-economisch milieu en weinig stimulerende thuissituaties, maar cruciaal blijft dat het onderwijs zich geen raad weet met deze vaak onhandelbare  ‘ordeverstoorders’. 

Veranderde hypothese

Dat was de hypothese van de onderzoekers. En van mij. En niet alleen ik, eigenlijk ligt die veronderstelling ook ten grondslag aan het Dullaert-advies en is men ook in politieke kringen die gedachte toegedaan. Ook daar ziet men het onderwijs toch vooral als de pullfactor voor het ontstaan van de thuiszittersproblematiek. Het onderwijs moet gewoon beter zijn best doen om deze buitenbeentjes binnenboord te houden, daar hebben we toch passend onderwijs voor!

Maar de onderzoekers vonden iets heel anders. Zij ontdekten dat de opstandige en niet-te-handhaven leerling geen hogere kans op thuiszitten hadden, maar juist een lagere. Zeker, de leerlingen met wat de onderzoekers ‘externaliserende gedragsproblematiek’ noemen trekken de aandacht, ze tonen zich onhandelbaar, leerkrachten weten er niet goed raad mee, maar het is niet zo dat ze uit beeld verdwijnen. Ze zijn lastig, maar niet onderwijsvijandig, om het zo maar eens te zeggen.

Daarentegen bleken de leerlingen waar je eigenlijk niet zoveel last van hebt (in onderzoekerstaal: kinderen met een ‘internaliserende gedragsproblematiek’) juist een hogere kans op thuiszitten te hebben. Waardoor er dus ook meer meisjes thuis belanden dan jongens. Ook het idee dat een gebrek aan schoolmotivatie de oorzaak zou zijn, of cognitieve problemen, blijkt niet te kloppen. Dat zijn veel te grofmazige verklaringen. Net zoals algemene termen als ‘ouderbetrokkenheid’ of ‘aanwezigheid van sociaal kapitaal’ eigenlijk nauwelijks een verklaring bieden.

Stille trom

Het kan ook veel concreter. Bij veel thuiszitters kwamen ‘relatieproblemen tussen ouders’, ‘gescheiden ouders’, ‘problemen met loyaliteit van kind naar ouder’ en ‘geen contact met een ouder’ naar voren. Uit de interviews met leerlingen wordt dit verder ingekleurd met overbelasting van ouders, overmatige stress of ernstige problemen thuis, waarbij bemoeienis van instanties (politie, justitie, jeugdzorg, ggz) de kans op thuiszitten nog eens stevig vergroot.

Het zijn dus niet de aandacht vragende ‘lastpakken’ die thuis belanden, maar veelal de stille kinderen die gebukt gaan onder een drukkende thuissituatie. Het zijn eerder binnenvetters dan herrieschoppers. Hun vertrek uit het onderwijs begint met onopvallend verzuim, zij verlaten het terrein niet met trompetgeschal, maar met een stille trom. Het zijn kinderen die je eigenlijk niet mist als ze niet meer komen opdagen.

Dat vraagt dus om meer dan doortastend beleid of doorzettingsmacht. Of om ondersteuning in de klas. Dat vraagt om een hoge opmerkzaamheid over de persoonlijke omstandigheden van kinderen, dat vraagt ook om een intensieve informatie-uitwisseling tussen instanties die bemoeienis hebben met gezinnen-in-problemen en het onderwijs en dat vraagt om nog meer aandacht van scholen voor de persoon en omstandigheden achter de leerling. Dat zij gedrag (waaronder verzuim) zien als een signaal voor tijdige ondersteuning en interventies in plaats van verwijzing naar het speciaal onderwijs of het plaatsen op een lager onderwijsniveau.  Wat het Kohnstamm-onderzoek in ieder geval duidelijk maakt, is dat het fenomeen thuiszitten meer is dan een disfunctionerend systeemprobleem van het onderwijs. Het zijn eerder een disfunctionerende instanties en thuissituaties waardoor kinderen zich in het onderwijs steeds minder thuis voelen. In alle ellende maken ze hun wereld steeds kleiner. Als dat gebeurt moeten de alarmbellen af gaan, in het onderwijs, zeker, maar vooral ook daarbuiten. 

Niet thuisgeven. Schooluitval vanuit het perspectief van leerlingen: onderzoek naar thuiszitters,  Binsbergen, M.H. van, Pronk, S., Schooten, E. van, Heurter, A. & Verbeek, F. (2019); Kohnstamm Instituut met samenwerkingspartner Altra Onderwijs en jeugdhulp (2019)



Terug