Succes voor het Almeerse model?

Succes voor het Almeerse model?

Beter kijken, goed luisteren en doen wat nodig is. Dat ene zinnetje op pagina 5 vormt misschien wel de kern van het vorige week verschenen advies Mét andere ogen, dat een impuls wil geven aan ‘versnelling en bestendiging van de samenwerking onderwijs-zorg-jeugd’. Het rapport is gemaakt op verzoek van een brede coalitie van landelijke instellingen, waarbij vrijwel geen organisatie ontbreekt. PO-Raad, VO-raad, LECSO, Netwerk LPO, Sectorraad Samenwerkingsverbanden VO, ActiZ, GGD GHOR Nederland, Sociaal Werk Nederland, Jeugdzorg Nederland, GGZ Nederland, VGN, VNG, Ouders & Onderwijs, Mind, Ieder(in) – als al deze organisaties ervoor zorgdragen dat hun achterbannen dit advies ter harte nemen dan kan voor veel kinderen veel ellende worden voorkomen. Dat is ook de reden voor het MBO en de Kinderopvang[1] om zich aan te sluiten.

Want het betreft natuurlijk een uiterst serieus probleem. In het onderwijs lopen regelmatig kinderen vast met problemen die niet zozeer met hun leervermogen of intelligentie te maken hebben, maar voor een niet onbelangrijk deel worden veroorzaakt door factoren die weinig met de school te maken hebben: gespannen situatie thuis, schulden, scheidingen, armoede, cultuurproblemen, criminaliteit, ouderlijk onvermogen, klein netwerk – noem maar op. Dat zijn problemen die een leerkracht of een school niet kan oplossen en waarvoor samenwerking met andere instanties – jeugdgezondheidszorg, jongerenwerk, wijkteam, jeugdhulp, GGZ - geboden is. De kunst is om daar effectieve samenwerkingsarrangementen voor te maken, waarin snel geschakeld kan worden, met korte lijnen en goede onderlinge afspraken. Met als motto: Beter kijken, goed luisteren en doen wat nodig is. Zo’n arrangement biedt een kind de meeste kansen tot (het herstel van) een normale schoolgang.  

Samenwerking

Maar we weten inmiddels dat samenwerking niet vanzelf gaat. Tussen wat we willen en wat we doen zitten in Nederland schotten, financiële of wettelijke obstakels, professionele standaarden en andere bezwaren, waardoor ‘doen wat nodig is’ vaak niet spontaan van de grond komt. Vandaar dat er dus een apart advies nodig is om de zaak vlot te trekken. Niet dat er niks gebeurt, in het advies wordt de ervaring opgehaald van nogal wat mensen die actief de samenwerking hebben vorm gegeven, maar het moet beter en het kan sneller. Om die reden spreekt de ondertitel van het rapport over ‘versnelling en bestendiging van de samenwerking’. Behoud wat goed gaat, maar zet wel een tandje bij.

Het advies Mét andere ogen laat zich in drie hoofdadviezen samenvatten:

Herkenning

Voor iedereen die bekend is met de situatie in Almere zal veel in het advies de nodige herkenning opleveren. Verbazingwekkend is dat niet omdat het advies geschreven is door kwartiermaker René Peeters, die de afgelopen acht jaar als wethouder onderwijs, jeugd en zorg in Almere er enorm hard aan getrokken heeft om een preventieve aanpak en goede onderwijsjeugdhulparrangementen mogelijk te maken. Een flink aantal zinsneden uit het rapport zullen Almeerse ambtenaren en onderwijsbestuurders dan ook bekend in de oren klinken. In zekere zin pleit het advies er nu voor om dit ‘Almeerse model’ aangevuld met ervaringen in een aantal andere plaatsen in het land nu ook in de rest van Nederland te gaan invoeren.

Daar is natuurlijk niets op tegen, want in Almere zijn de afgelopen jaren ook echt vorderingen gemaakt als het gaat om de samenwerking tussen onderwijs en (jeugd)hulp. Brede teams in scholen, inzet op preventie door Sterk in de klas te verbreden naar Sterk in de wijk en de aandacht voor de goede samenwerking tussen bijvoorbeeld jeugdverpleegkundige en intern begeleider. Daardoor staat Almere inmiddels bekend als voorloper op het terrein van de samenwerking tussen gemeente, jeugdgezondheidszorg, jeugdhulp en (passend) onderwijs. De belangstelling daarvoor was groot – elk kwartaal organiseerde Almere over deze vormen van samenwerking informatiebijeenkomsten voor andere gemeenten al dan niet met hun partners uit het onderwijs en jeugdhulp.

Ongetwijfeld heeft die inzet ertoe bijgedragen dat René Peeters nadat hij was teruggetreden als wethouder werd gevraagd om als kwartiermaker op te treden om de samenwerking ook landelijk van de grond te krijgen. Maar het feit dat hij in Almere niet meer als de trekker fungeert heeft nog eens duidelijk gemaakt hoe belangrijk een trekker eigenlijk is. Het nieuwe college in Almere trad aan in een periode van aanbestedingen van de lokale en regionale jeugdhulp, ambtelijke reorganisaties en zonder enig innovatiebudget. En dat tegen een decor van een schrijnende lerarentekort en de druk op de kwaliteit van het basisonderwijs. Kortom, er is ook in Almere nog veel te doen.

Poreuze schotten

Juist nu blijkt dat één van de cruciale adviezen uit het rapport toch niet zo makkelijk te realiseren is. Dat advies luidt: zorg dat er sprake is van poreuze schotten tussen verschillende financieringssystemen, zodat het geld makkelijk op een hoop kan worden geveegd en ingezet kan worden voor ‘wat nodig i. Zonder een stimulerende regie van gemeenten en de politieke leiding van wethouders stellen partijen liever de zekerheid van hun financiën veilig dan dat ze kiezen voor de financiële onzekerheid van samenwerking. Die onzekerheid wordt nog eens versterkt als zich – zoals in Almere in het voortgezet onderwijs het geval is - ook de gevolgen van de negatieve verevening van passend onderwijs en de groei van het VSO laat voelen. Onzekerheid verwordt zelfs tot angstvalligheid als er geen vrije ruimte in de budgetten of een stevig nood- of crisisbudget ter beschikking komt om die effectieve samenwerkingen blijvend tot stand brengen. Dan gaat het geld dat een instelling er extra naar toe brengt altijd ten koste van iets anders dat een instelling ook moet doen. Als er bijvoorbeeld meer middelen vanuit passend onderwijs naar onderwijs-jeugdhulparrangementen gaan, dan betekent dat minder middelen naar andere vormen van ondersteuning gaan. Zo gaat iets nieuws al snel ten koste van ondersteuning van leerkrachten en preventie– en dat is niet altijd een goede voedingsbodem om op de lange termijn succes te boeken.

Regie en leiderschap

De paradox die nu dreigt is dat het Almeerse model in Nederland aan de weg timmert, terwijl het in zijn geboortestad moeilijke tijden doormaakt. Dat toont nog eens ten overvloede aan dat samenwerking tussen onderwijs, jeugdgezondheidszorg en jeugdhulp niet een kwestie is van beleid, maar  ook vraagt om een stevige gemeentelijke regie en politieke leiding die ervoor blijft gaan. Bovendien vraagt het om bestuurders in het onderwijs en jeugddomein die de samenwerking en samenhang omarmen en elkaar niet loslaten wanneer het (intern) spannender wordt.  ‘Beter kijken, goed luisteren en doen wat nodig is’ – het klinkt zo simpel. Maar in ons land is iets wat simpel oogt nogal eens het moeilijkste te realiseren.

[1] De MBO-raad en de branche organisatie voor de kinderopvang zijn voornemens aan te sluiten bij de brede coalitie.

 

"Hetty Vlug blogt over haar ervaringen en inzichten als directeur van de coöperatie Passend Onderwijs Almere en bestuurder van Almere Speciaal, het Taalcentrum en het OPDC"



Terug