Voortgangsbrief 13; een genuanceerd beeld

Voortgangsbrief 13; een genuanceerd beeld

Er is veel te doen over het passend onderwijs. Leerkrachten klagen erover dat de inspanningen voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven de werkdruk, die door het lerarentekort toch al onder hoogspanning staat, nog eens extra belasten. Politici hebben de reserves ontdekt van een aantal samenwerkingsverbanden en vragen zich bozig af waarom dat geld niet naar het onderwijs gaat. Ouders die klagen dat scholen hun zorgplicht voor kwetsbare leerlingen ontlopen omdat ze bang zijn dat daarmee de resultaten en hun reputatie geweld wordt aangedaan. Veel te veel kinderen zitten thuis en zijn helemaal verstoken van onderwijs. Kortom, passend onderwijs is en blijft een thema dat leeft.

Bovenstaande is dan ook het begin van de dertiende voortgangsbrief die minister Slob vorige week naar de Tweede Kamer stuurde en waar de Kamer(commissie) deze week nog met hem over in gesprek gaat. Het is de laatste voortgangsbrief, zo meldt de minister, want volgend jaar gaan we echt evalueren. Dan is de Wet op het Passend Onderwijs vijf jaar van kracht en wordt er onderzocht of de wet ook heeft gebracht wat hij heeft beloofd. Een half jaar eerder dan de minister zich had voorgenomen.

Verstandige reactie

De vraag was hoe de minister in de Voortgangsbrief zou omgaan met alle kritiek die de afgelopen maanden links en rechts op het passend onderwijs is geleverd. Het antwoord is: genuanceerd, om niet te zeggen verstandig. De minister neemt alle opmerkingen serieus, maar vergeet de zorgvuldigheid niet. Hij laat steeds twee kanten van de zaak zien. Hij constateert dat scholen en samenwerkingsverbanden er steeds beter in slagen om van passend onderwijs voor alle leerlingen een succes te maken, inclusief steeds effectievere samenwerking met jeugdhulp. Tegelijkertijd hoort hij dat ouders tevreden zijn over verminderde bureaucratie maar ook dat ze klagen dat ze vaak lang moeten zoeken om voor hun kinderen het optimale onderwijs (vaak in combinatie met jeugdhulp) gerealiseerd te krijgen. Het is het grote verhaal versus de vele kleine irritaties.

Eigenlijk is Slobs voortgangsbrief vooral een verbeteringsbrief. Het is een opsomming van veel initiatieven die tegemoet komen aan de kritiek: betere informatie voor leerkrachten, meer expertise vanuit het speciaal onderwijs inzetten in het reguliere onderwijs, een dashbord-website met alle informatie, handreikingen om ondersteuningsprofielen van scholen te optimaliseren, effectievere omgang met dyslexie, et cetera. Er wordt, met andere woorden, bepaald niet stilgezeten in de verbeterslag van het passend onderwijs. Sterker: er is een stevige bedrijvigheid op gang gekomen, waarvan ik me soms wel eens afvraag of het niet een doel op zich is geworden. Maar dat terzijde.

Kruipend concept

Er zijn twee zaken in de brief die wat mij betreft in het oog springen. Bijna aan het einde van de voorgangsbrief tempert de minister de verwachtingen door te melden dat deze vaak groter zijn dan wat de wet beoogt. Hij schrijft: ‘Passend onderwijs is wat sociologen noemen een ‘kruipend concept’.’ Het komt erop neer dat steeds meer betekenissen het concept binnen kruipen. Passend onderwijs wordt dan de remedie voor alles wat in het reguliere onderwijs niet in de pas loopt. Dat is natuurlijk schier onmogelijk, maar als we het passend onderwijs gaan evalueren moeten we daarom wel weten wat de wet nu eigenlijk wil bereiken. De minister noemt daarbij elf effecten en indicatoren die in de evaluatie onderzocht moeten worden.  Het gaat om zaken als krijgen kinderen minder snel een label, is het voor ouders duidelijker wat scholen te bieden hebben, wordt het ‘shoppen’ tegengegaan, worden leerlingen en ouders sneller en met maatwerk geholpen, daalt het aantal kinderen dat thuiszit, werken scholen, regulier en speciaal, beter samen, worden er minder leerlingen naar het speciaal onderwijs doorverwezen, et cetera.

inclusiviteit-op-zijn-Hollands

Dat lijken mij allemaal nuchtere criteria die de kern van de zaak raken. Daarom verbaasde het me aanvankelijk dat de minister op meerdere plekken in zijn brief nadrukkelijk stelt dat de Wet Passend Onderwijs niet over inclusief onderwijs gaat. Dat bevreemdde me, omdat de wet misschien niet naar de letter maar wel naar de geest over inclusiviteit gaat. Weliswaar op zijn Nederlands, met zijn nadruk op keuzevrijheid voor ouders, die moeten kunnen kiezen tussen regulier en speciaal onderwijs. Maar toch, de wet wilde kinderen in een normale omgeving passend onderwijs bieden, bij voorkeur in het reguliere onderwijs. Dat is inclusiviteit-op-zijn-Hollands.

Want Slob, zo realiseerde ik me verderop in de brief, heeft ook te maken met de verplichtingen die voortvloeien uit de ondertekening van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en het daaruit voortvloeiende kabinetprogramma Onbeperkt Meedoen. De geest daarvan is radicaler dan de Wet Passend Onderwijs en dus verplichtender voor de overheid om beperkingen in het onderwijs uit de weg te ruimen.  Dat stelt Slob voor een dilemma: hij wil én de keuzevrijheid in stand houden én tegemoet komen aan de strengere verplichtingen voor het reguliere onderwijs die het serieus nemen van het VN-verdrag met zich meebrengen. Dat betekent meer druk op het reguliere onderwijs om bijna verplichtend werk te maken van hun zorgplicht, met als donkere wolk dat het geen extra geld mag kosten en er nauwelijks leerkrachten (en jeugdhulpverleners) voorradig zijn die daar uitvoering aan kunnen geven.

Om dat voor elkaar te krijgen zal nog een behoorlijke politieke krachttoer worden. De geplande evaluatie geeft de minister nog even uitstel. Hij hoeft echter niet te wanhopen, want in feite werken de samenwerkingsverbanden, zeker op die plaatsen waar ze een knooppunt van deskundigheid en ondersteuning zijn geworden, voortdurend aan het arrangeren van die onderwijs en zorgvormen die kinderen een plek in het reguliere onderwijs bieden.  Dat kan beter, dat moet beter, dwingender, effectiever. Allemaal waar. Maar dat is wel – in Nederland tenminste  - de enige begaanbare route naar inclusiever onderwijs. Steeds beter, steeds verdergaander en steeds verplichtender samenwerken aan passend onderwijs als opmaat voor meer inclusie in het onderwijs. Het zal mij niet verbazen als de minister daar in de loop van 2020 - na kennis genomen te hebben van de evaluatie - op uitkomt.

Reserves

Er is in politiek Den Haag veel te doen geweest over de reserves van samenwerkingsverbanden. Een schande, geld dat onthouden wordt aan de ondersteuning van leerlingen, zo klonk het in de media. Natuurlijk is het onwenselijk dat samenwerkingsverbanden te veel en onnodig reserves opbouwen Maar gelukkig wijst de minister er ook op dat reserves onvermijdelijk bij een fatsoenlijke bedrijfsvoering horen. De bekostigingssystematiek werkt reservevorming bovendien in de hand: heel laat in het jaar komt er daardoor nog een correctie op de middelen, als dat meer is kan het nauwelijks besteed worden en wordt het bijgeschreven op het vermogen, als het minder is moeten er reserves kunnen worden aangesproken. Het lijkt er bovendien soms op dat in de ophef wordt vergeten dat samenwerkingsverbanden personeel in dienst hebben, met de daarbij horende verplichtingen. Daarvoor moeten samenwerkingsverbanden zoals elke werkgever geld opzij leggen. Het zou immers pas echt lullig zijn als voor een onverhoopte vertrekregeling ergens een klas moet worden opgedoekt. Maar dat laat onverlet dat onnodige reservevorming bestreden moet worden en de minister hiervoor regels gaat opstellen.  Prima zaak.

> Lees hier de Kamerstukken van minister Slob over de voortgang en evaluatie van Passend Onderwijs



Terug